Wonen moet je maken

Over wonen wordt vaak alleen gesproken of geschreven als betreft het een product, respectievelijk productieproces. Sociale en betaalbare woningbouw wordt vaak gezien als een thema dat het beste overgelaten kan laten worden aan aannemers. Slecht zelden gaat het over kwaliteit, inhoud of omgeving. Gelukkig ontstaan nu gelijktijdig op verschillende plekken initiatieven om het wonen weer terug op de agenda te krijgen.

In dit perspectief past ook het boek Wonen van Andrea Prins, dat onlangs verscheen bij de Walburgpers. Prins is een in Nederland wonende architect die het laatste decennium vooral werkt als publicist. Ze behoort tot een van de beste auteurs op het gebied van woningbouw en publiceerde op de platforms van ondermeer Archined, de Architect en Vers Beton.

Alledaagsheid

Wonen is volgens Prins een activiteit die door zijn alledaagsheid niet of nauwelijks opvalt. Als een eigentijdse Perec onderneemt ze in Wonen, oorspronkelijk opgezet als proefschrift, een speurtocht naar de betekenis van het wonen en de ruimten waarin zich dat afspeelt. Ze neemt daarbij de woningen waar ze zelf heeft gewoond, in Duitsland, Nederland en Zuid Korea als uitgangspunt.

Al op de eerste pagina’s maakt ze duidelijk waar het in de huidige discussie aan schort. Terwijl het wonen in beweging is, veranderen de plattegronden van de woningen nauwelijks van opzet. Nog steeds worden in Nederland in hoofdzaak twee typen woningen gebouwd: het appartement en het rijtjeshuis, met nagenoeg dezelfde plattegronden. Ze bieden plek aan een werkende en huishoudende ouder met twee kinderen. Deze plattegronden geven geen antwoord op de vragen en verlangens van bijvoorbeeld het samengestelde of ‘patchwork’ gezin. 

Nog altijd worden plattegronden gemaakt die je maar op één manier zinvol kunt bewonen. Verouderde woonideeën gaan in haar ogen samen met risicomijdende ontwikkelingen en een inzet op maximale ‘return of investment’. Alle reden, aldus Prins, om het wonen weer als sociaal-maatschappelijk vraagstuk te definiëren. Wonen, zegt ze, is een existentiële uitdaging. In haar boek gaat ze op zoek naar woningtypen die voor meer mensen bereikbaar en daarmee veelzijdig bruikbaar zijn.

Denkproces

De auteur hanteert een aangename schrijfstijl waarin zij je als het ware meeneemt in haar denkproces. Op sommige plaatsen verraden germanismen dat de auteur uit Duitsland afkomstig is. Dat zie je ook terug in de referenties die ze hanteert en voor een groot deel uit het Duitse taalgebied afkomstig zijn. 

Het boek Wonen biedt geen systematisch, maar een historisch overzicht. Prins neemt geen stelling in debatten die eerder rond bepaalde onderwerpen hebben gewoed, maar vraagt op een bijzonder manier aandacht voor de ontwikkelingen die het wonen sinds de jaren zestig heeft doorgemaakt. Dat de auteur daarvoor haar eigen ‘wooncarrière’ als uitgangspunt neemt, lijkt me geen bezwaar. Ik althans heb het boek in een ruk uitgelezen.

Woonparcours

In vijf hoofdstukken voert de auteur de lezer langs alle situaties waarin ze heeft gewoond. Ze bespreekt de woning waarin ze opgroeide met haar ouders, de diverse kamers waarin ze tijdens haar studie in Berlijn verbleef en de woningen die ze met haar partner en later met partner en kind betrok in Nederland. Ook maakt ze een uitstapje naar de traditionele hanok-woningen in Seoul. Ze sluit af met een hoofdstuk over de manier waarop ze nog nooit woonde. 

De hoofdstukken zijn gelardeerd met korte besprekingen van negen sleutelwoorden, te weten: woning, kamer, gezin, functie, samen en alleen, ruimte, communicatie, flexibiliteit, wonen. Ook brengt ze rond vijf poëtische topics diverse stemmen uit de literatuur samen: huiselijkheid met de ogen dicht (Zweig, Huxley, Van Beverwijk), spiegeltje, spiegeltje (Busken Huet, Weijers, Pruis), Mietskasernen (Döblin, Anonymus), goederen en have (buurtwerker Harri, Ulrich Enzensberger), de wereld in ons hoofd (Kahn, Pamuk).

Wonen in eigen hand

In het slothoofdstuk stelt ze voor het wonen in eigen hand te nemen. Ze toont aan dat de huidige standaardplattegronden kamers oplevert die of te groot of te klein zijn en waarin naast elkaar liggende slaapkamers ander gebruik bemoeilijken. Eerder al betoogt ze uitvoerig, dat wonen communiceren betekent en dat het een activiteit is die je moet leren. Het echte wonen kan alleen “ontstaan via de voortdurende en onmisbare oefening van het maken, de lange ervaring van het handwerk, gebonden aan streek en plek”.

De auteur sluit af met interessante gedachten over adaptieve (in plaats van vastgestelde) ruimten, wisselingen in gebruik van en geleidelijke overgangen tussen vertrekken en ten slotte ‘Freiräume’ waarvan het gebruik steeds herzien kan worden. Deze uiteenzetting leest als een proeve voor een volgend boek, mogelijk dan verder toegelicht met voorbeeldprojecten, de stap naar de realisatie van dergelijke plattegronden en de experimenten die ervoor nodig zijn.

Wonen is een buitengewoon boeiend boek. De oproep om het wonen (en daarmee het bouwen) opnieuw te overdenken is overtuigend en actueel. Prins laat zien dat het wonen een gelaagd fenomeen is, dat niet beperkt is tot gezinnen, maar evenzeer uit alleenstaanden, gemeenschappen of gezelschappen bestaat. Het wonen is een activiteit die veroverd moet worden. Dit boek kan architecten, bouwers en beleidsmakers die zich niet neerleggen bij de huidige woningcrisis, daarbij behulpzaam zijn.

Andrea Prins, Wonen. De fascinerende gelaagdheid van een alledaagse bezigheid, Walburgpers, mei 2021, 232 p, ISBN 9789462496286, € 24,99